Afgelopen weekend had ik vrienden op bezoek. Hun oudste van drie was voor het eerst en voor het laatst in de yurt geweest als baby. Nu, samen met een klein broertje was ze er opnieuw, staartje in haar haar.
Mee liep ze met me over het terrein, een courgette plukken, droge takken uit de ril voor het vuur. Met stokken langer dan zijzelf sjouwde ze achter me aan, over het kleine paadje, tussen overhangende bloemen.

Met haar neus er bovenop, een beginnend vuur. Dan weer even verder weg op de trampoline, haar hoofdje komt steeds heen en weer tevoorschijn boven de goudsbloemen.

Vanavond opnieuw een vuur. Een zomerse ronde van Hé jullie, vrouwen!. En opnieuw duurt het niet lang, een beetje tijd, geduld, en dan breekt de avond open. Een op z’n plek vallen, bijna tastbaar. Wat is het? Hoe kan ik woorden geven aan wat ik zie gebeuren als mensen, van héél klein tot soms stokoud, hier voet aan wal zetten?

Als ik mijn telefoon pak nadat de avond is afgerond, vier vrouwen rond en warm onderweg terug naar huis zijn zie ik een berichtje van mijn vriendin die schrijft: ‘Ze heeft takjes verzameld. ‘Die gaan we bewaren voor als we weer naar Anne Eva gaan, Mama. Dan kunnen we vuur maken!’’